Ik bracht je naar de trein en keek je na.
Vakantie wilde jij, dus ik zei: "Ga".
Ik dacht: Twee weken, die zijn zo voorbij.
Ik had het rijk voor mij alleen.
Wist ik veel dat ik jou zo snel al missen zou.
Ik druk je kussen hard tegen me aan.
M'n voeten blijven koud, ik praat al in mezelf.
Over jou.
Op m'n werk kom ik ook steeds te laat.
Ik mis je koffie 's morgensvroeg.
Eten doe ik daag'lijks uit de muur.
Elke avond naar de kroeg.
Ik deed heel stoer en zei nog: Ach, ik red me wel.
Ga jij nu weg en denk maar niet aan mij.
Was jij maar weer hier, 't is zo stil in huis.
Kom weer bij mij.
Toen jij me belde zei ik opgewekt.
" 'k Heb 't zo druk, ik dacht nog niet aan jou".
't Liefste had ik toen gaan janken, schat.
Ik ben die eenzaamheid zo zat.
Opeens sta jij weer voor me, pakt m'n handen vast.
En zegt me dat je mij zo hebt gemist.
Ik loog dat ik mij hier heerlijk heb vermaakt.
Zo, zonder jou.
O, wat hou ik van jou.
O, wat hou ik van jou.